_2%20kopie.jpeg)
Twintig jaar geleden was Lippenbroek in Hamme een kleine polder met een grote opdracht. Het gebied moest aantonen of je in een gecontroleerd overstromingsgebied ook waardevolle getijdennatuur kon ontwikkelen. Niet door de Schelde zomaar vrij spel te geven, maar via een uitgekiend systeem van sluizen, met een dagelijks maar gereduceerd getij. Vandaag is Lippenbroek een begrip in het Sigmaplan. Het gebied van 10 hectare werd een levend labo voor slikken, schorren, waterkwaliteit, sedimentatie, vissen, vogels, planten en zelfs klimaatadaptatie. Wetenschappelijk onderzoeker Tom Maris, verbonden aan Universiteit Antwerpen, volgt het gebied al van bij de start. “Als Lippenbroek niet had gewerkt, hadden we dit concept niet op grotere schaal kunnen uitrollen binnen het Sigmaplan. Maar het heeft alles gedaan wat we ervan verwacht hadden.”
Tom Maris: “Ik ben daar zeer tevreden over. In Lippenbroek hebben we een nieuw concept getest: estuariene natuur creëren in een gecontroleerd overstromingsgebied, met een slim sluizensysteem. Dat klinkt vandaag misschien vanzelfsprekend, maar dat was het toen helemaal niet. Er waren in het buitenland al wel experimenten gebeurd, bijvoorbeeld in Duitsland en Engeland. Maar daar werkten ze meestal met één koker waar het water zowel in- als uitging. Dat lijkt een detail, maar het heeft grote gevolgen. Als je dezelfde opening gebruikt voor instroom en uitstroom, krijg je bij elk getij ongeveer dezelfde hoeveelheid water in het gebied. Dan verlies je het natuurlijke verschil tussen doodtij en springtij. In Lippenbroek hebben we gewerkt met een hoge inlaatsluis en een lage uitlaatsluis. Daardoor krijg je veel meer variatie. Bij doodtij stroomt er minder water binnen, bij springtij komt het water hoger en kan een groter deel van de polder overstromen. Zo kan je in één gebied zowel slikken als schorren ontwikkelen. In die zin was Lippenbroek een wereldprimeur.”
_1_comp.jpg)
“De kernvraag was: hoe reageert de natuur op zo’n gereduceerd getij? Krijgen we functies die vergelijkbaar zijn met natuurlijke slikken en schorren langs de Schelde? Het moest geen perfecte kopie worden van buitendijkse natuur, maar het moest wel dezelfde ecologische functies kunnen vervullen. Lippenbroek was altijd bedoeld als pilootproject. We wilden testen of het concept werkte, om het daarna op grotere schaal te kunnen toepassen in het Schelde-estuarium. Als het geen succes was geweest, hadden we dit niet kunnen uitrollen binnen het Sigmaplan. Gelukkig deed Lippenbroek alles wat we ervan verwacht hadden.”

“Ja. Lippenbroek is een polder, dus je vertrekt van een zware, compacte kleibodem. Die bodem is niet zo waterdoorlatend. In een natuurlijk schor spelen bodemprocessen een grote rol. In Lippenbroek heeft de oorspronkelijke bodem minder meegespeeld in de ecologie dan we misschien gehoopt hadden. Het water stroomt vooral over het oppervlak af. Er ontstaan wel bodemprocessen in het verse sediment dat wordt afgezet, maar de oude compacte polderbodem zelf draagt minder bij. Voor toekomstige gebieden hebben we daaruit geleerd. Bij een compacte bodem kan het zinvol zijn om vooraf een vorm van bodembewerking te doen, bijvoorbeeld door organisch materiaal zoals houtsnippers in te werken. Zo krijg je een lossere structuur, betere drainage en betere ecologische functies.”
“Heel veel. Lippenbroek is echt eenonderzoeksgebied. We hebben gekeken naar veiligheid, natuurontwikkeling,vegetatie, bodemontwikkeling, bodemleven en ecosysteemdiensten. Denk aanstikstof verwijderen uit het water, maar ook aan silicium aanleveren. Datlangdurige onderzoek is alleen mogelijk omdat De Vlaamse Waterweg nv inmonitoring is blijven investeren. Die gegevens helpen om het Sigmaplan zo goedmogelijk uit te voeren en trekken tegelijk bijkomend onderzoek aan: omdat er alzoveel basisdata beschikbaar zijn, bouwen andere onderzoekers daar graag opvoort.”
“Het was niet de bedoeling om vooraf te zeggen: dieof die soort moet hier komen. Daarvoor is Lippenbroek ook te klein met 10hectare. De vraag was vooral of een GOG-GGG als systeem werkt. Kan je in eengecontroleerd overstromingsgebied met gereduceerd getij duurzame estuarienenatuur ontwikkelen? Daarop is het antwoord vandaag duidelijk: ja.”
“De invloed op de waterkwaliteit was vanaf het begin positief. Lippenbroek verwijdert effectief stikstof uit het Scheldewater: het water dat weer uitstroomt, bevat minder stikstof dan het water dat binnenkomt. Dat is belangrijk, want te veel stikstof kan leiden tot overmatige algengroei en een verstoring van het ecosysteem.
Daarnaast speelt silicium een belangrijke rol. Silicium is nodig voor kiezelwieren: gewenste algensoorten die mee aan de basis staan van de voedselketen en minder problemen veroorzaken dan ongewenste algenbloei. Natuurlijke slikken en schorren leveren silicium aan de rivier. In Lippenbroek kwam dat proces eerst traag op gang. In de beginjaren leverde het gebied maar beperkt silicium, en nam het soms zelfs silicium op wanneer er nog veel silicium in de Schelde zat. Maar naarmate er meer vers slib werd afgezet en er meer echte schorbodem ontstond, begon Lippenbroek meer silicium te leveren. Vandaag zit dat ongeveer op het niveau van natuurlijke schorren. Dat is een belangrijk resultaat, omdat het aantoont dat ook aangelegde getijdennatuur deze ecosysteemdiensten kan vervullen: minder overtollige stikstof, meer beschikbaar silicium en dus een gezondere Schelde.”
“Een heel belangrijke les gaat over aanslibbing. In Lippenbroek zagen we gemiddeld 2 tot 3 centimeter sedimentatie per jaar. Ecologisch is dat niet noodzakelijk een probleem. Voor schorvorming heb je sediment nodig. Maar voor de veiligheidsfunctie van een gecontroleerd overstromingsgebied kan te veel aanslibbing op termijn wel een aandachtspunt zijn. Als het gebied te snel ophoogt, verliest het bergingsvolume. In Lippenbroek was dat minder belangrijk, omdat de veiligheidsfunctie daar sowieso beperkt was. Het gebied was vooral bedoeld om het concept te testen. Maar voor grotere gebieden was het cruciale informatie. In de Polders van Kruibeke hebben we bijvoorbeeld meer ingezet op het beperken van de aanslibbing. Daar wordt het getij lager gehouden en is er met schotbalken gewerkt om de hoeveelheid water en sediment beter te sturen. Gemiddeld zitten we daar op ongeveer 0,8 centimeter per jaar. Dat is aanvaardbaar. Minder dan 1 centimeter per jaar betekent minder dan 1 meter op een eeuw. Dan kan je met beheer om de 100 of 200 jaar veel oplossen.”
“De locatie van de sluis is belangrijk. Als je de inlaatsluis dicht bij de stroomgeul van de Schelde legt, komt er meer zwevend stof mee binnen. Als je de sluis verder landinwaarts legt, moet het water eerst een langere geul afleggen. Onderweg kan al veel slib bezinken voor het het gebied binnenkomt. Dat principe is later meegenomen in andere projecten.”
“Ja. De inzichten die we in Lippenbroek opdeden,klopten. Ze zijn toegepast in de Polders van Kruibeke en Bergenmeersen, de tweeoudste grote GGG’s. Die evolueren ook zoals verwacht. Lippenbroek was hetpilootproject. Je test op kleine schaal, leert bij, en past die lessen toe opgrotere schaal. En ook in die grotere gebieden leer je weer verder.”
“Zo is het concept van de sluis door deverschillende GGG’s wat veranderd. In Lippenbroek hebben we een nieuwe uitlaatgecreëerd naast de inlaat. In Kruibeke is dat concept eigenlijk grotergekopieerd: een uitwatering en daarnaast een inwatering. In Bergenmeersen zijninlaat en uitlaat boven elkaar geplaatst, met twee verschillende kokers: hoogvoor de inlaat, laag voor de uitlaat. Maar ook daar leer je uit de praktijk.Bij instroom kunnen riettakken, plastic of ander drijvend materiaal aanroosters blijven hangen. In een GGG kunnen zelfs takken of bomen ronddrijven.Dat vraagt onderhoud, zeker in het voorjaar wanneer oud riet massaal loskomt.In recentere GGG’s is dat verbeterd. De roosters worden zo geplaatst dat hetwater het opgehoopte vuil zelf beter kan wegspoelen. Daardoor moeten de sluizenminder vaak worden vrijgemaakt. Dat zie je bijvoorbeeld in Wal-Zwijn enZennegat. Ook dat is een rechtstreeks gevolg van voortschrijdend inzicht.”
“Een heel mooie soort is de spindotterbloem, typisch voor zoetwaterslikken en -schorren. Ook de oeverloofslak is interessant. Ik word daar zelf niet zo wild van (lacht), ik ben geen bioloog, maar mijn collega’s zijn altijd blij als ze die vinden. Het is een kensoort, een indicator dat je goed bezig bent. Er zijn ook bijzondere insecten gevonden, zoals de gestreepte boegsprietmot die typisch is voor slikken en schorren. En bij de monitoring zijn interessante loopkevers aangetroffen, zoals de langhalsschorsloper. Bij de vogels is het niet wereldschokkend, maar dat hoeft ook niet. Lippenbroek is klein. Je kan niet verwachten dat soorten die grote, rustige territoria nodig hebben zich daar massaal vestigen. De afstand tot de dijk, en dus verstoring, is klein. Maar we zien wel soorten zoals ijsvogel en blauwborst. Voor zo’n klein gebied is dat mooi.”

“Ook daar hebben we veel uit geleerd. De vraag was in het begin of vissen de sluispassages goed zouden gebruiken. De inlaat ligt hoog. Het water komt binnen als een soort waterval over een betonnen helling. We waren bang dat vissen dat niet zouden overleven. Uit monitoring door INBO bleek dat volwassen vissen vooral via de uitlaatsluis binnenkomen, wanneer het waterpeil van de Schelde en Lippenbroek ongeveer gelijk staat. Ze kunnen tegen de stroming in zwemmen en worden aangetrokken door zuurstofrijk water. Jonge vissen kunnen dat nog niet. Die komen eerder met de stroming mee via de inlaatsluis. Maar we vonden ook heel wat juveniele vissen levend terug, bijvoorbeeld kleine botjes. Dus ook dat blijkt te werken. In nieuwe GGG’s hebben we het ontwerp wel aangepast. Daar laten we de waterval niet eindigen op een betonnen helling, maar in een poel of in trappen met voldoende diepe bassins. Zo vergroten we de overlevingskansen van jonge vissen. In Kruibeke zien we bijvoorbeeld veel juveniele vissen. Alleen heel grote vissen raken niet door de roosters, maar voor de meeste soorten werkt het systeem goed.”
“De bever. In 2006 hadden we nooit gedacht dat die zo snel zou komen. Dat leek toen nog een ver-van-ons-bedshow. Vandaag voelt de bever zich helemaal thuis in Lippenbroek, Kruibeke en andere GGG’s. Voor sommigen is hij intussen zelfs bijna een plaag geworden. Maar ecologisch is het natuurlijk een opvallend voorbeeld van een soort die spontaan is opgedoken.”
“Voor zeespiegelstijging is een GGG vrij robuust. Het water stroomt binnen zodra het hoger komt dan de inlaatdrempel. Als de zeespiegel stijgt, kan je die drempel in principe mee optrekken, bijvoorbeeld met extra schotbalken. Bij een stijging van meer dan een meter moet je natuurlijk bekijken of de sluizen technisch mee kunnen. Maar veel sluizen zijn aanpasbaar. Temperatuur is een ander verhaal. Hogere temperaturen zorgen ervoor dat bepaalde processen sneller verlopen. Ook droogte heeft gevolgen. Een getijdenrivier droogt niet zomaar uit, omdat de waterstand sterk door het getij wordt bepaald. Maar bij langdurige droogte komt er minder zoet water naar de Schelde. Dan schuift de zoutgrens op. Dat merken we al. In de Polders van Kruibeke hebben wilgen het moeilijker door het hogere zoutgehalte. Ook in Lippenbroek zagen we in droge zomers sterfte bij wilgen, terwijl je in een zoetwatergetijdengebied net veel wilgen verwacht. Dat spel tussen zoet en zout hoort bij een estuarium, maar door klimaatverandering worden de extremen groter.”
“Ja, en dat vind ik heel interessant. Bij extreme piekdebieten kan in de Schelde veel worden weggespoeld: zoöplankton, fytoplankton, algen, jonge visjes. Een GGG loopt nooit helemaal leeg. Aan de sluizen blijft water staan. Daardoor kan zo’n gebied als een soort schuiloord werken. Wanneer het piekdebiet voorbij is, kunnen soorten vanuit het GGG sneller opnieuw bijdragen aan het herstel van de Schelde. Je hebt daar als het ware een reservoir van eitjes, rustsporen, algen en ander ‘entmateriaal’. Dat is een groot voordeel.”
“Na 20 jaar blijft het mij boeien. Eén keer per jaar doen we dag- en nachtmetingen van de waterkwaliteit. Dan volgen we twee getijden na elkaar op, met verschillende collega’s. Ik probeer daar altijd bij te zijn. Het zijn lange dagen en nachten, maar het is ook een unieke ervaring. Om het halfuur of uur nemen we stalen. Dat is telkens 20 minuten werken, en dan heb je soms tot 40 minuten rust. Iedereen schiet dan tegelijk in gang, om daarna bij te praten, te eten of even in de auto te slapen. Vaak barbecueën we tussendoor. Dat klinkt misschien vreemd voor wetenschappelijk onderzoek, maar het schept een band. Het zijn momenten waarop je echt voelt dat je samen aan iets bijzonders werkt.”
“Zeker. In 2006 was de interesse voor slikken en schorren veel beperkter. Vogelliefhebbers kenden die natuur natuurlijk al, maar het brede publiek was er minder mee vertrouwd. Vandaag stoppen fietsers aan infoborden. Mensen kijken anders naar de Schelde. Dat heeft ook te maken met de verbetering van de Schelde zelf. Twintig jaar geleden was de Schelde voor veel mensen nog een zieltogende rivier. De Rupel stonk echt. Vandaag is er veel meer appreciatie voor de rivier en voor Scheldenatuur. Mensen fietsen op de dijk en genieten van een landschap dat mooier wordt. Ook in de natuursector is de waardering gegroeid. Een schor lijkt op het eerste gezicht misschien niet altijd spectaculair. Je ziet brandnetels, wilgenroosje, riet. Maar het is wel habitat voor heel veel dieren. Slikken en schorren zijn nodig voor een gezonde Schelde. En daar heeft iedereen baat bij.”
“Dan kies ik toch voor de Polders van Kruibeke. Dat gebied gaat al terug tot het oorspronkelijke Sigmaplan van 1977, toen nog als gecontroleerd overstromingsgebied. Bij de start van die planning was ik er dus niet bij, maar vanaf de werken heb ik Kruibeke wel nauw opgevolgd. Bij de latere invulling als natuurgebied heb ik, op basis van de eerste resultaten uit Lippenbroek, mee het ontwerp van de Kruibeekse en Bazelse polders als GGG uitgewerkt. Het is een prachtig gebied, met veel diversiteit: drie GGG’s die onderling verschillen, een GOG-gedeelte met elzenbroekbossen, weidevogelgebieden… Er is zoveel te zien op een relatief beperkte oppervlakte. Je kan er wandelen, fietsen en de natuur zien werken. Voor mij is dat een heel geslaagd gebied.”
“Dat het concept werkt. En dat het nuttige natuur is. Lippenbroek en de andere GGG’s leveren iets op voor de Schelde, maar ook voor de samenleving. Ze helpen het water op een natuurlijke en relatief goedkope manier zuiveren. Ze halen stikstof uit het water, leveren silicium aan en ondersteunen zo een gezonder ecosysteem. Zelfs de kustzone vaart daar wel bij. Minder ongewenste algenbloei, minder schuim op het strand: dat hangt mee samen met een gezondere Schelde. Lippenbroek heeft bewezen dat waterveiligheid en natuurontwikkeling samen kunnen gaan. Het is een klein gebied, maar de impact op onze kennis en op de uitrol van het Sigmaplan is groot geweest.”