Kenny Hessel

Interview

Ornitholoog Kenny Hessel over de evolutie van vogelpopulaties in Sigmaplangebieden

“Soms sta je oog in oog met een zeearend”

De Scheldevallei is de voorbije decennia enorm veranderd. Waar vroeger dijken en landbouw domineerden, ontstaan nu opnieuw overstromingsgebieden, rietvelden en getijdennatuur. Het Sigmaplan zorgt zo niet alleen voor waterveiligheid, maar ook voor rijke biodiversiteit. Ornitholoog Kenny Hessel volgt al meer dan vijftien jaar de vogelpopulaties in deze gebieden en zag soorten verdwijnen, terugkeren en soms zelfs geschiedenis schrijven.

Wat is uw rol binnen het Sigmaplan?

“Ik ben onderzoeksmedewerker bij het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en volg sinds 2007 de evolutie van vogelpopulaties in verschillende Sigmaplangebieden. Dat doe ik samen met veel vrijwilligers en collega’s. Ik monitor voornamelijk broedvogels, waaronder allerlei rietvogels en weidevogels, in gebieden zoals de Polders van Kruibeke, Doelpolder Noord, Prosperpolder, Vlassenbroek en de Kalkense Meersen. Ook tel ik de overwinterende watervogels. Daarnaast hou ik me bezig met hydrologie en vegetatiekarteringen, omdat waterpeil, vegetatie en vogels nauw met elkaar verbonden zijn.”

Welke grote trends ziet u in al die jaren?

“Er zijn winnaars en verliezers. Weidevogels zoals grutto en kievit hebben het moeilijk door intensieve landbouw en predatie. Zonder natuurgebieden zouden we ze in Vlaanderen bijna kwijt zijn. Aan de andere kant zijn rietvogels en bepaalde moerassoorten sterk in opmars.”

Grutto, ©Luc Meert

‍

Waarom hebben weidevogels het zo lastig?

“Grutto, kievit en tureluur broeden in landbouwgebied, maar dat landschap wordt te intensief beheerd. Er wordt vroeg gemaaid, pesticiden maken de bodem armer, nesten worden uitgeploegd… De kievit zie je nog overal, maar hij krijgt zijn jongen niet groot. De grutto is extreem kieskeurig en broedt nog maar in enkele gebieden zoals de Waaslandhaven, de Kalkense Meersen en de IJzervallei. Als hij eenmaal weg is, komt hij moeilijk terug.”

Kluut, ©Mario Jamers

‍

Helpen Sigmaplangebieden om weidevogels te redden?

“Ja, omdat sommige gebieden speciaal zijn ingericht als weidevogelgebied: natte graslanden, bloemrijke hooilanden, open polders, weinig verstoring. Daar trekken weidevogels massaal naartoe. Maar dan duikt een nieuw probleem op: predatoren. Vossen, marters en kraaien vinden die gebieden ook interessant. Soms is het letterlijk een gedekte tafel… Daarom plaatsen we rond bepaalde gebieden rasters met stroom om vossen buiten te houden. Dat voelt onnatuurlijk, maar onderzoek toont dat het soms de enige manier is om soorten in stand te houden. Het blijft een evenwichtsoefening.”

Welke soorten profiteren duidelijk van het Sigmaplan?

“Vooral rietvogels zoals rietzanger en kleine karekiet doen het uitstekend. Zelfs zeldzamere soorten zoals het woudaapje en de roerdomp keren terug. De roerdomp heeft nog maar een paar territoria, maar dat is al veel vergeleken met vroeger. Geef het tijd en meer riet, en die aantallen kunnen stijgen. Ook steltlopers profiteren, zeker in nieuwe getijdengebieden zoals de Hedwige-Prosperpolder, waar landbouwgebied is omgevormd tot slikken en schorren. Daar foerageren nu duizenden kluten, kieviten, bonte strandlopers en bontbekplevieren. Die combinatie van rust en voedsel is ideaal. Sigmaplangebieden zijn zelfs belangrijk geworden voor trekvogels uit Noord-Europa die op weg zijn naar Afrika: ze vinden hier voedsel én rust.

Kleine karekiet, ©WesleyPoelman

‍

Bonte strandloper, ©Hugo Willocx

‍

En dan is er de zeearend, hét bewijs dat grote, robuuste oppervlaktenatuur werkt. Vroeger kwam die hier niet meer voor, maar vandaag zien we ze regelmatig in gebieden zoals Doelpolder Noord, Prosperpolder en de Polders van Kruibeke. Soms zelfs vijf à zes tegelijk. Het zijn vooral jonge vogels uit Nederland die nieuwe gebieden verkennen. Dat zo'n toppredator terugkeert, zegt veel over de kwaliteit van de natuur. Ik verwacht trouwens dat de zeearend zich hier binnen enkele jaren ook effectief als broedvogel zal vestigen."

Hoe wordt er bepaald welke soorten waar thuishoren?

“Elke soort heeft andere noden. Grutto en kievit willen open graslanden zonder hoge bomen. Eenden willen ondiep water. Purperreiger houdt van open water met riet. Roerdomp wil helder water en vis. Woudaap zoekt een moerassig rietgebied. Je kan dus niet overal hetzelfde doen. Geologie en hydrologie bepalen wat mogelijk is. Je moet een landschap inrichten op maat van de doelsoorten.”

Kievit, ©Rudi Debruyne

‍

Hoe monitort u al die vogels in het veld?

“Van eind maart tot juli bezoeken we elk gebied zeven keer, telkens van zonsopgang tot de middag. We lopen het volledig af en noteren onze waarnemingen in een app die dan het aantal per territoria berekent. Voor nachtactieve soorten zoals de kwartelkoning doen we ook nachtrondes. Dan spelen we hun roep af; als ze reageren, weten we dat ze er zijn. Het is intensief werk, maar heel nauwkeurig.”

Worden de doelstellingen gehaald?

“Voor sommige soorten wel, zelfs meer dan voorzien. Rietzanger zit bijvoorbeeld boven de doelstelling. Maar voor roerdomp wilden we twintig broedparen en halen we er voorlopig maar drie à vier. Dat toont dat natuurherstel tijd vraagt. Je moet blijven monitoren en bijsturen.”

Rietzanger, ©Vilda

‍

Zijn er ook onvoorziene effecten van beheermaatregelen?

“Zeker. Als we vossen buiten houden met rasters, voelen ganzen zich veilig. Die gaan er massaal broeden en eten het riet op. Daardoor verliezen rietvogels hun habitat. Soms creëert elke oplossing een nieuw probleem. Het is een constante zoektocht naar evenwicht.”

Wat zijn de grootste uitdagingen voor de toekomst?

“Klimaatverandering is een grote. Droogte zorgt ervoor dat trekvogels minder voedsel vinden. Grutto’s en tureluurs kunnen dan niet meer met hun snavel in de bodem prikken. Daarom moeten we inzetten op vernatting en bloemrijke hooilanden. Ganzen, waarvan sommige exoten zoals Canadese gans en nijlgans, vormen ook een probleem omdat ze riet wegvreten. En predatoren zoals vos blijven een factor om rekening mee te houden. Het heeft geen zin om perfecte gebieden in te richten als alle nesten worden leeggehaald. Soms werken we zelfs met camerabewaking.”

Hoe belangrijk zijn Sigmaplangebieden voor de vogelbiodiversiteit in Vlaanderen?

“Heel belangrijk! Ze bieden ruimte aan natuurtypes die bijna verdwenen waren: getijdennatuur, rietmoerassen, overstromingsvlaktes, natte graslanden. Zonder Sigmaplan zouden veel vogelsoorten hier geen toekomst hebben. Deze gebieden zijn belangrijk op Vlaamse én Europese schaal.”

Wat maakt dit werk bijzonder voor u?

“Vogels observeren en tellen was altijd al mijn hobby. Dat ik dat nu professioneel mag doen, is fantastisch. En dan die momenten in het veld. Elke lente de eerste zwaluw zien. De blauwborst horen zingen in het riet – die zie je nooit in tuinen. Of plots een zeldzame dwaalgast voor je neus, zoals een steppekievit of kleine geelpootruiter. Soms sta je oog in oog met een zeearend. Dat blijft magisch, je ziet met eigen ogen wat natuurherstel kan doen.”

Hebt u een favoriet Sigmaplangebied?

"Als ik moet kiezen, dan zijn dat Doelpolder Noord en Prosperpolder. Die gebieden hebben een heel open karakter en trekken enorme aantallen steltlopers aan. Je krijgt er bijna een zeegevoel, met uitgestrekte slikken, vogels overal rondom je en een landschap dat voortdurend verandert onder invloed van het getij. Misschien speelt ook mee dat ik niet ver van de kust woon. Ik voel me er gewoon thuis."

Heeft het Sigmaplan u de voorbije jaren nog kunnen verrassen?

"Absoluut. Wat mij telkens opnieuw verbaast, is hoe snel zeldzame vogels een nieuw geschikt leefgebied weten te vinden. Nog maar onlangs vonden we in de Kalkense Meersen een kleinst waterhoen, een uiterst zeldzame soort waarvan amper een vijftigtal waarnemingen bekend zijn in België. Door op een bepaalde plek het waterpeil te verhogen, was daar een heel geschikt leefgebied ontstaan. En vrijwel meteen dook die soort op. Dat blijft fascinerend. Het toont hoe belangrijk het is om de juiste omstandigheden te creëren."

Wat is uw belangrijkste inzicht na vijftien jaar?

“Dat natuur ongelooflijk veerkrachtig is als je haar ruimte geeft. We hebben soorten zien verdwijnen, maar ook zien terugkomen. Met kennis, geduld en goed beheer kan je echt het verschil maken. De evolutie die we al zagen – van rietzanger tot zeearend – bewijst dat het werkt. Tegelijk denk ik dat het verhaal nog lang niet af is. Soorten zoals steltkluut, woudaapje en graszanger hebben zich de voorbije jaren al stevig gevestigd. Purperreiger en kwak duiken steeds vaker op en zouden zich hier de komende jaren wel eens als broedvogel kunnen vestigen. Ook zeldzame doortrekkers zoals witwangstern en grote karekiet worden geregeld waargenomen. Dat maakt deze gebieden zo bijzonder: je weet nooit welke verrassing er morgen op je wacht."

Interviews